www.rivm.nl www.pbl.nl www.cbs.nl www.alterra.wur.nl www.deltares.nl www.rijkwaterstaat.nl
Startpagina Informatie Help Login English  
Settings:

Belangrijke informatie over het gebruik van emissiedata

Op deze pagina vindt u uitleg over de kwaliteit van de emissiedata. Emissies zijn mede bepalend voor de kwaliteit van uw leefomgeving. Daarnaast spelen tal van andere factoren een rol, zoals veiligheid, luchtkwaliteit, waterkwaliteit, stank en geluid. Informatie over deze onderwerpen in relatie tot uw leefomgeving kunt u verkrijgen via uw gemeente, provincie of - in algemene termen - via het Milieu en Natuur Compendium

Embargosheet

In principe presenteert deze website de uitstoot van alle stoffen, voor alle compartimenten , per emissieoorzaak op het meest gedetailleerde ruimtelijke niveau. Soms echter ontbreekt de emissie van een stof voor een specifieke doelgroep, omdat er onvoldoende gegevens bekend zijn of de betrouwbaarheid van de beschikbare gegevens te laag. Ook komt het voor dat de verdeling over Nederland onvoldoende bekend is, in dat geval vindt u de verdeling alleen voor een aantal (sub)doelgroepen en niet voor het nationaal totaal. Onderstaande embargosheet geeft een overzicht van deze uitzonderingen. Het symbool geeft aan dat er geen beperkingen zijn, Bij wordt de informatie op dit niveau niet getoond, terwijl aangeeft dat er enige beperkingen zijn, nader toegelicht in de voetnoot en als een zogenaamde "tooltip" , zichtbaar wanneer u met de muis het symbool aanwijst.

Belangrijk gevolg van een embargo is dat er "gaten" ontstaan in de emissietabel. Een optelling van alle emissies op een lager niveau, bijvoorbeeld het niveau van emissieoorzaak levert dan een lager totaal op dan dezelfde optelling op doelgroepniveau!

Stof NL totaal NL per (sub)doelgroep NL per emissieoorzaak Geregionaliseerd totaal Geregionaliseerd per (sub)doelgroep Geregionaliseerd per emissieoorzaak Puntbron
Broeikasgassen naar lucht 1 1 1
Broeikasgassen naar lucht volgens IPCC n.v.t.
NEC stoffen naar lucht 1+2 1+2 1+2+3
EMEP/UNECE stoffen naar lucht 2 2 2 1+2 1+2 1+2+3
Prioritaire stoffen naar lucht 2 2 2 1+2 1+2 1+2+3
Alle stoffen naar water 4
N- en P-totaal naar bodem 5 5 5 n.v.t.
Cu,Cd,Zn en Pb naar bodem 5 5 5 n.v.t.

1)Geen CH4 en N2O; Fijn Stof (PM10 en PM2,5) alleen cijfers voor 2006 en 2007; NH3 geen cijfers voor 1990,1995 (i.v.m. regionalisatiebeperking landbouw);
2)uitzonderingen zie de notitie Notitie Prioritaire Stoffen 1990-2005 (Peek, 2008) Bijlage I tabel B1 achterste kolom
3) De NH3 uit landbouw wordt alleen geregionaliseerd voor de emissieoorzaak Dierlijke en kunstmest landbouw (LEI), Fijn stof (PM10 en PM2,5) worden alleen geregionaliseerd voor de emissieoorzaak PM10 landbouw (LEI)
4) Alleen vanaf het jaar 2004.
5) Doelgroep landbouw: alleen per provincie.

Verklaring emissietrends

Er is sprake van een trend in emissies indien de cijfermatige uitkomsten van de emissies gedurende meerdere achtereenvolgende jaren een afname of een toename vertonen. Deze trendmatige afname of toename van emissies is dikwijls het gevolg van een structurele maatschappelijke oorzaak. Door stijgende vraag naar energie als gevolg van economische groei nemen de direct aan energie gekoppelde CO2-emissies toe. Daarnaast nemen de emissies van vele verzurende en giftige stoffen nog steeds af door de inzet van meer en betere bestrijdingstechnologie. Zo kan de uitstoot van stikstofoxiden worden tegengegaan door technische maatregelen en verder dalen door de inzet van betere technologie.

Broeikasgasemissies 1990-2008
Bij de onderstaande trendverklaring is aangesloten bij de doelgroepindeling die internationaal is afgesproken. Voor broeikasgassen is dat de zogenaamde IPCC-indeling. De daling in de uitstoot van de totale hoeveelheid broeikasgassen zet zich ook over 2007 voort. Met een totale uitstoot van broeikasgassen van 206 miljard kilo CO2-equivalenten in 2008 is de totale uitstoot van broeikasgassen verminderd met ca. 3,5 procent ten opzichte van het basisjaar voor het Kyoto Protocol (1990 voor CO2, CH4 en N2O en 1995 voor de F-gassen). In 2008 is de totale uitstoot van broeikasgassen met 1 procent gedaald ten opzichte van 2007. De daling met circa 1,5 miljard kg CO2 -equivalenten in 2008 is vooral toe te schrijven aan de vermindering van de uitstoot van N2O (distikstofoxide of ook wel lachgas) door N2O reductiemaatregelen bij de salpeterzuurfabrieken. De uitstoot van kooldioxide is met 174,5 miljard kg licht gestegen ten opzichte van 2007, doordat een afname in de energiesector en de industriële sectoren als gevolg van de recessie ruim gecompenseerd werd door een toename van emissies in de gebouwde omgeving en de landbouw. De toename bij de landbouw was het gevolg van een sterke uitbreiding van warmtekrachtkoppeling(wkk)-installaties. De toename in de gebouwde omgeving wordt vooral veroorzaakt door een hoger aardgasverbruik in het eerste kwartaal van 2008 omdat de eerste maanden van 2008 kouder waren dan de eerste maanden van 2007. Daar tegenover staat een verminderde uitstoot van CO2 in de doelgroepen Verkeer en Vervoer (0,3 miljard kilo), Consumenten (1,4 miljard kilo) en Handel, Diensten en Overheid (0,2 miljard kilo). In de doelgroep Verkeer wordt de daling voornamelijk verklaard door de hogere bijmenging van biobrandstoffen in de motorbrandstoffen van het wegverkeer. De daling van de CO2 uitstoot bij de doelgroepen Consumenten, Handel, Diensten en Overheid  worden voornamelijk veroorzaakt door het lagere aardgasverbruik voor de verwarming van huizen, gebouwen en werkplekken. Ten opzichte van 2007 is de CH4(methaan) uitstoot in 2008 iets toegenomen tot ruim 17 Mton CO2-eq. Het effect van de reguliere afname bij stortplaatsen was dit jaar kleiner dan de toename bij de landbouw. Deze toename was vooral het gevolg van een sterke groei van wkk-installaties in de glastuinbouw. De licht stijgende trend van de uitstoot van F-gassen vanaf 2005 zet zich ook in 2008 voort. De totale uitstoot in 2008 bedraagt circa 2,4 Mton CO2-eq. De stijgende trend vanaf 2005 is met name het gevolg van de toename van het gebruik van HFK’s in de koelsector. Voor meer informatie zie:
- CBS (2008). Verdere daling uitstoot broeikasgassen. CBS webmagazine september 2009.
- Milieu- en Natuurcompendium (2009). Broeikasgasemissies in Nederland, 1990-2007. (v13, 03 sep 2009). MNP, Bilthoven, CBS, Voorburg en WUR, Wageningen.

Emissies verzurende stoffen en grootschalige luchtverontreiniging 1990-2008
Bij de onderstaande trendverklaring is aangesloten bij de doelgroepindeling die internationaal is afgesproken (NEC- en EMEP-indeling). Dat betekent dat in de vergelijking van de cijfers de emissies van de doelgroepen zeescheepvaart en natuur buiten beschouwing blijven. In 2008 is de uitstoot van NH3(ammoniak) met 2 miljoen kilo afgenomen tot 135 miljoen kilo. Dit is nog 7 miljoen kg boven het emissieplafond van 128 miljoen kg in 2010. De afname van de ammoniakemissie, door het in 2008 ingegane verbod om dierlijke mest op bouwland in twee werkgangen uit te rijden, is groter dan de toename bij de stal- en weide-emissie door de grotere veestapel als gevolg van hogere dieraantallen in de doelgroep landbouw. Verder is door de toevoeging van de bron ‘Paarden en pony’s (niet landbouw)” de NH3 emissie van doelgroep HDO over de hele reeks met ruim 2 miljoen kilo toegenomen.

De totale emissie van stikstofoxiden is in 2008 verder gedaald tot bijna 293 miljoen kilo. Dit is nog ruim 30 miljoen kg boven het emissieplafond van 260 miljoen kg in 2010. De lagere uitstoot van NOx wordt voornamelijk veroorzaakt door de EU-emissie-eisen voor Verkeer en Vervoer en door reductiemaatregelen in de Energie-sector. Voor een deel wordt deze daling teniet gedaan als gevolg van een hogere emissie bij de doelgroep Landbouw door de groei van het aantal wkk-installaties. De 12 miljoen kilo lagere uitstoot van NOx in de doelgroep Verkeer en Vervoer wordt voornamelijk veroorzaakt door het schoner worden van het personenauto, bestelauto en vrachtautopark als gevolg van de verdergaande penetratie van  technologische verbeteringen (motormanagement, katalysatoren, e.d) in het Nederlanse autopark.

De uitstoot van SO2(zwaveldioxide) is in 2008 met bijna 9 miljoen kg afgenomen tot 52 miljoen kilo. Dit is nog net boven het emissieplafond van 50 miljoen kg in 2010. De verminderde SO2 uitstoot is met name het gevolg van een overschakeling van oliestook naar gasstook (ruim 4 miljoen kilo) bij de doelgroep Raffinaderijen en een verbeterde rookgasontzwaveling in de Energiesector. In de doelgroep Verkeer en Vervoer wordt de verminderde SO2 uitstoot van 0,6 miljoen kilo vooral veroorzaakt door een afname van het brandstofverbruik en een toename van het gebruik van zwavelvrije brandstof in de subdoelgroep Mobiele Werktuigen. In de doelgroep Energie is de verminderde SO2 uitstoot (1,2 miljoen kilo) het gevolg van verbeterde rookgasontzwaveling. De verminderde SO2 uitstoot (2,6 miljoen kilo) in de doelgroep Raffinaderijen was het gevolg van een overschakeling van oliestook naar gasstook.

De uitstoot van NMVOS (niet methaan vluchtige organische verbindingen) is in 2008 licht gedaald tot 160 miljoen kg. Dit is ruim onder het emissieplafond van 185 miljoen kg in 2010. Deze afname wordt hoofdzakelijk gerealiseerd in de doelgroep Verkeer en Vervoer en werd voornamelijk veroorzaakt door de verdergaande penetratie van technologische verbeteringen (motormanagement, katalysatoren, koolstoffilters e.d) in het Nederlandse autopark.

De emissies van fijn stof (PM10 en PM2,5) zijn gestabiliseerd op een niveau van respectievelijk 37 miljoen kilo en 20 miljoen kilo.

Naast bovengenoemde verklaringen voor de reducties heeft voor enkele doelgroepen ook de recessie in in meer of mindere mate invloed gehad op de daling van de betreffende emissies.

Voor infomatie over de trend per stof, zie het Milieu- en Natuurcompendium (2008), Verzuring en grootschalige luchtverontreiniging: emissies 1990-2008. (v13, 03 sep 2008). PBL Bilthoven, CBS, Voorburg en WUR, Wageningen.

Voor informatie over de ontwikkeling in zuurequivalenten, zie het Milieu- en Natuurcompendium (2008), Verzurende stoffen: emissies per beleidsector (NEC), 1990-2007 (v12, 03 sept 2008). PBL Bilthoven, CBS Voorburg en WUR Wageningen.

Emissies en belasting naar water
Welke oorzaken ten grondslag liggen aan verandering van de cijfers over emissie en uiteindelijke belasting naar oppervlaktewater wordt beschreven in Toelichting nieuwe dataset Emissieregistratie ER2008T-2 (2006).pdf

Methoderapporten

Hoe de emissies bepaald worden vindt u op hoofdlijnen besproken in de werkwijze. Een gedetailleerde uitleg staat in de zogenaamde methoderapporten. Daarnaast vindt u in de protocollen de wijze waarop de broeikasgassen in het kader van de IPCC werden bepaald. Tenslotte vindt u in de zogenaamde factsheets hoe emissies naar water worden berekend.

Via de ingang documentatie kunt u al deze documenten inzien. en via zoeken kunt u per emissieoorzaak het bijbehorende methoderapport, factsheet of protocol vinden.

Methodiekwijzigingen in deze ronde

De emissieberekeningsmethodiek wordt beschreven in de methoderapporten. De berekening bestaat veelal uit een vermenigvuldiging van de omvang van een activiteit met een emissiefactor. Meestal verandert bij een methodewijziging de emissiefactor. Bij een methodewijziging worden de emissiecijfers voor alle jaren herberekend, zodat de getoonde trends consistent blijven. Het kan voorkomen dat de benodigde informatie voor de emissieberekening ontbreekt in een bepaald jaar, in die gevallen worden de emissies gekopieerd uit voorgaand jaar (al dan niet geschaald voor de economische groei). In deze gevallen spreken we niet van een methodewijziging.

Broeikasgasemissies
In 2007 heeft op het nationaal systeem voor de inventarisatie van broeikasgassen een zogenaamde initial review plaatsgevonden door de UNFCCC en is Nederland toegelaten tot het Kyoto Protocol. Nederland kan dus deelnemen aan de handel in emissierechten. Mede naar aanleiding van deze review is ook een aantal berekeningsmethoden verbeterd. Het betreft de volgende wijzigingen voor de gehele tijdreeks 1990-2007:

  1. Elektriciteits- en warmte productie: aanpassing van de emissiefactor voor N2O emissies;
  2. Glas productie: aanpassing van de emissiefactor voor CO2 emissies als gevolg van betere (bedrijfs)meetgegevens;
  3. Caprolactam productie: aanpassing van N2O emissies als gevolg van van betere inzichten in de productie en meetgegevens;
  4. Indirecte N2O emissies als gevolg van depositie van NOx van verbrandingsprocessen en industriële procesemissies worden niet langer meegenomen;
  5. N2O emissie in landbouw: de methode voor Manure Management is beter in overeenstemming gebracht met de IPCC Good Practice Guidance;
  6. Van Landbouw zij alle N2O en CH4 emissies herberekend als gevolg van verbeterde voergegevens
  7. Emissies uit landgebruik en bossen (LULUCF): Een wijziging in de methodiek (validatie van landgebruikverandering bos) en het herstellen van een vergissing in een correctiefactor leiden tot een herberekening (stijging) van LULUCF emissies in 1990 (categorie 5 van het CRF) met 275,45 Gg CO2-eq.

Emissies verzurende stoffen en grootschalige luchtverontreiniging 1990-2007
Als gevolg van verbeterde inzichten zijn de navolgende methodewijzigingen doorgevoerd:

  1. Nieuw emissiemodel mobiele werktuigen: TNO heeft afgelopen jaar een nieuw model ontwikkeld voor het berekenen van de emissies van mobiele werktuigen, zoals landbouwtrekkers, graafmachines en vorkheftrucks (Hulskotte et al., 2009). Het model is in hoofdlijnen gebaseerd op verkoopdata van verschillende typen werktuigen en de gemiddelde inzet en levensduur per type. Door deze data te koppelen aan gegevens over het brandstofverbruik per tijdseenheid en de bijbehorende emissiefactoren zijn nieuwe emissiereeksen verkregen. De nieuwe PM10-emissiereeks voor mobiele werktuigen ligt voor de periode 2000-2006 circa 25-30% (0,7-0,9 kton) lager dan die van vorig jaar. De nieuwe NOx-emissiereeks wijkt voor dezelfde periode nauwelijks af van die van vorig jaar: de afname bedraagt maximaal 2% (1 kton).
  2. Nieuwe verkeersprestatiereeksen zware bedrijfsvoertuigen: het CBS heeft afgelopen jaar nieuwe reeksen verkeersprestaties vastgesteld voor vrachtauto’s en trekkers (trekker-oplegger combinaties). De reeksen geven het totale aantal voertuigkilometers op Nederlands grondgebied door verschillende typen vrachtauto’s en trekkers en zijn voor de periode 2001-2007 gebaseerd op data van de Stichting Nationale Auto Pas (NAP). De kilometerstanden uit het NAP geven een relatief nauwkeurig beeld van het gemiddelde jaarkilometrage van bedrijfsvoertuigen. Toepassing van de nieuwe data heeft geleid tot een daling van de NOx-emissiereeksen voor de periode 2000-2006 van circa 1-6 kton ten opzichte van de reeksen van vorig jaar. De nieuwe PM10-emissiereeksen wijken nauwelijks af van die van vorig jaar.
  3. Nieuwe voorlopige verkeersprestatiereeksen bestelauto’s: De verkeersprestatiereeksen voor bestelauto’s zijn afgelopen jaar eveneens opnieuw vastgesteld. De oude reeksen waren gebaseerd op extrapolatie van gegevens uit enquêtes onder voertuigbezitters uit de jaren 90. Afgelopen jaar zijn op basis van NAP-data nieuwe reeksen berekend voor de jaren 2005 en 2006. Deze data is gebruikt om voorlopige reeksen vast te stellen voor de periode 1990-2007, gebruikmakend van de gegevens uit de enquêtes en de NAP-data. Gegevens voor tussenliggende jaren zijn door interpolatie zijn verkregen. Toepassing van de voorlopige reeksen heeft voor de periode 2000-2006 geleid tot een daling van de NOx-emissiereeksen voor bestelauto’s van circa 4-12% (1-2,5 kton).
  4. De emissiereeksen van NMVOS door het gebruik van verf voor de doelgroepen Bouw, Consumenten, HDO en Overige industrie zijn herberekend omdat betere inzichten over de importcijfers beschikbaar zijn gekomen

Emissies en belasting van oppervlaktewater 1990-2008
De doorgevoerde methodewijzigingen vindt u in Toelichting nieuwe dataset Emissieregistratie ER2008T-2 (2006).pdf

  1. Voor atmosferische depositie heeft er in 2008 een herberekening plaatsgevonden. In voorgaande jaren werd voor de totale stikstofdepositie uitgegaan van alleen NOx, in de nieuwe berekeningen is de totale stikstofdepositie de som van NOx en NH3. Voor de stikstofdepositie op de Nederlandse zoete oppervlaktewateren en het NCP heeft dit voor alle jaren geleid tot een fors hogere (tot 61%) depositie;
  2. Voor de nutriënten vanuit de glastuinbouw heeft er een wijziging in de verdeling van de emissies over oppervlaktewater, bodem en riool plaatsgevonden. In voorgaande jaren werd er vanuit gegaan dat nutriënten vanuit de glastuinbouw direct geloosd werden op oppervlaktewater. De nieuwe methodiek gaat er vanuit dat er een deel op het oppervlaktewater en riool wordt geloosd en dat er een deel op de bodem terechtkomt. Tot 1995 wordt gerekend met 75% naar bodem en 25% naar oppervlaktewater. Vanaf 2000 gaat een deel van de lozingen op bodem naar riool. In 2005 en 2006 wordt een verdeling aangehouden van 25% naar oppervlaktewater, 25% naar bodem en 50% naar riool. Ten opzichte van voorgaande jaren is de uitspoeling van nutriënten vanuit de glastuinbouw naar oppervlaktewater met 75% afgenomen.

Ruimtelijke verdelingen
Voor wat betreft de ruimtelijke verdeling van emissies zijn er ten opzichte van het vorige jaar de volgende wijzigingen:

  1. Spoorwegen
    Op basis van nieuwe proRail gegevens over het aantal afgelegde spoorwegkilometers (per traject en treintype) is met name de verdeling voor emissies door vrachtvervoer sterk verbeterd. Het aantal trajecten waarover nu nauwkeurige gegevens bekend zijn is ten opzichte van de vorige ronde sterk uitgebreid.
  2. Stortplaatsen
    Voor de ruimtelijke verdeling van emissies door (gebruik van) stortgas zijn nieuwe gegevens beschikbaar gekomen via SenterNovem. Het aantal stortplaatsen waarvoor nu een ruimtelijke verdeling van emissies kan worden gemaakt is hiermee duidelijk toegenomen.
  3. Zeescheepvaart
    Nieuw zijn de verdelingen voor emissies van alkylfenolen en zware metalen naar water. Alkylfenolen komen vrij bij gebruik van reinigingsmiddelen voor schip en ladingtanks, en ook bij gebruik van persoonlijke verzorgingsprodukten door passagiers en bemanning. Zware metalen komen vrij door uitloging van coating op de scheepshuid en het oplossen van de ‘opoffferingsanode’ bij kathodische bescherming. Hierbij wordt een ‘onedel’ metaal (meestal zink) ingezet om aantasting van koperen onderdelen (scheepsschroef) te voorkomen. Het aantal schepen (per gridcel van 5x5 km op het Nederlands Continentaal Plat, NCP) is bepalend voor de verdeling van alkylfenolemissies via reinigingsmiddelen, het (gemiddeld) aantal personen op deze schepen voor de verdeling van alkylfenolemissies door gebruik van verzorgingsprodukten. De verdeling van zware metalen (eveneens per 5x5 km gridcel op het NCP) is gekoppeld aan de zogenaamde ‘Wet Surface Area’, de oppervlakte scheepshuid die zich permanent onder water bevindt. Alle genoemde basisgegevens voor de verdeling zijn gebaseerd op scheepstellingen afkomstig van AIS (Automatic Identification System). Sinds 2005 hebben vrijwel alle zeeschepen een transponder aan boord die vrijwel permanent (aantal malen per minuut) gegevens uitzendt, waaronder de exacte positie en een uniek identificatienummer, waarmee het type schip kan worden bepaald. Bewerking van deze data voor 2007 levert uiteindelijk per gridcel van 5x5 km gegevens op over het aantal schepen, het type (voor de WSA) en aanwezigheid van bemanning en passagiers (gesommeerd over het jaar).
  4. Overige onderwerpen
    Geactualiseerd zijn verder de ruimtelijke verdelingen gebaseerd op inwoner- en woningdichtheid en het aantal arbeidsplaatsen bij kleine bedrijven. Dit heeft echter geen grote wijziging tot gevolg in de ruimtelijke verdeling ten opzichte van die in de voorgaande ronde.

Gebruik van bedrijfsemissies

In het algemeen gebruikt de Emissieregistratie de door bedrijven gerapporteerde emisses uit de zogenaamde Milieujaarverslagen. Deze emissies worden door het bevoegd gezag (provincies, waterschappen, gemeenten of rijkswaterstaat) geaccordeerd en in de emissieregistratie opgenomen. In 1990 en 1995 bestonden er nog geen Milieujaarverslagen en heeft de Emissieregistratie de emissies zelf geïnventariseerd, geschat en/of berekend. Voor de jaren 2005 en 2006 worden de EMJV cijfers getoond. Voor het jaar 2007 worden de EMJV cijfers getoond maar daarbij worden de E-PRTR grenswaarden gebruikt. Emissies onder de grenswaarden ontbreken hierdoor, dit verklaart de grote daling in het aantal emissies per stof voor 2007.

Voor het berekenen van nationale totaalemissies, wijkt de Emissieregistratie soms af van de emissies zoals die door bedrijven worden gerapporteerd en door bevoegde gezagen worden vastgesteld. Hierdoor kunnen er verschillen voorkomen tussen de gerapporteerde/vastgestelde cijfers zoals die voor individuele bedrijven op de site worden getoond en de nationale totalen.

Beperkingen STONE instumentarium voor berekening van de verspreiding van diffuse bronnen naar afwateringseenheden

De data van de diffuse bronnen uit- en afspoeling N en P landelijk gebied en uitspoeling zware metalen landelijk gebied zijn berekend met het STONE-instrumentarium. Dit is een modelinstrument dat ontwikkeld is voor ex-ante evaluaties voor de rijksoverheid. De schematisatie van Nederland en de behorende data-input voor STONE zijn gericht op deze nationale toepassingen.
De betrouwbaarheid van de uitkomsten op het niveau van afwateringsheden is nog niet vastgesteld. Studies om de bruikbaarheid van STONE op dergelijke meer onderscheidende schaalniveau’s te onderbouwen worden uitgevoerd en worden naar verwachting medio 2007 gepubliceerd. De kans bestaat hierdoor dat de uitkomsten van STONE (sterk) kunnen afwijken van de werkelijkheid in bepaalde gebieden.
U kunt hier een nadere uitleg vinden.

Verbeterpunten voor de volgende release